- De architect
- Biografie
- Grammatica
- Bestiarium
- Typologieën
- Bronnen
- De catalogus
- De deskundige
Doorheen zijn oeuvre
In het atelier van Georges Hobé ontmoet Jean-Baptiste Dewin de chirurg Antoine Depage, met wie hij een langdurige samenwerking aangaat bij het ontwerpen van klinieken en ziekenhuisinstellingen. Hobé is niet alleen architect, hij heeft ook zijn eigen schrijnwerk- en meubelmakerijateliers, waar onder meer Antoine Pompe in de leer gaat. Hobé baant zo de weg voor de rol van architect-interieurontwerper-decorateur, die Dewin zal volgen in zijn streven naar een totale kunst die schoonheid en levensvreugde uitstraalt.
Zijn eerste bekende project, dat in 1897 in een tijdschrift werd vermeld, verraadt de invloed van Hobé in de decoratieve keuzes en het meubilair: het gaat om het ontwerpen van een ‘zomerresidentie voor een staatshoofd’, een project waarmee hij de eerste prijs won in de beroemde Godecharle-wedstrijd.
Bij Hobé kon de jonge architect ook kennismaken met de voordelen van beton in de bouw, die hij later zelf zou toepassen (stevigheid, onbrandbaarheid, zuinigheid, de mogelijkheid om ruime ruimtes te creëren).
Zijn eerste architectonische werk lijkt een rijwoning te zijn die in 1898 werd gebouwd aan de Saint-Quentinstraat 55 in Brussel, waar men al de kroonlijstconsoles met hun haakse profiel kan zien, met diepe groeven, die hij later naar hartelust zou herhalen, maar ook de later veelgebruikte vorm van de houten of stenen luifel met daarboven een imposant glas-in-loodraam bij de ingang van de woning.
In 1905 bouwde Dewin zijn eerste ziekenhuisgebouw, het voormalige chirurgisch instituut Berkendael, in opdracht van Antoine Depage.
Voor zijn eigen woning, gebouwd in 1907 aan de Molièrelaan 151 – een waar woordenboek van zijn vooroorlogse decoratieve stijl – schakelde hij zijn vriend Joseph De Coene in voor de inrichting. Een foto van het interieur van de ‘bel étage’, die in 1925 verscheen in het tijdschrift L’Émulation, toont inderdaad een Art & Crafts-eetkamer, ontworpen door de Ateliers De Coene uit Kortrijk.
In 1906 schreef de architect samen met Antoine Depage en de artsen Paul Vandervelde en Victor Cheval het standaardwerk La Construction des Hôpitaux, dat handelt over nieuwe bouwtechnieken en waarvoor Dewin alle schetsen en doorsneden maakte.
Al in 1902 werd hij als volwaardig lid toegelaten tot de SCAB (Société Centrale d’Architecture de Belgique) en in 1922-1923, op het hoogtepunt van zijn carrière, werd hij er voorzitter van. Vervolgens werd hem de Carsoel-prijs toegekend door de afdeling Schone Kunsten, sectie Architectuur, van de Koninklijke Academie van België, voor de periode 1934-1938.
In 1925 aanvaardde Dewin de opdracht om een nieuw gemeentehuis in Vorst te bouwen, dat het belangrijkste werk uit zijn art-decoperiode zou worden. Na een reis naar de Verenigde Staten, waar hij grote gebouwen van gewapend beton had ontdekt, koos Dewin voor een gewapend betonnen skelet van bijna 2.000 m², dat met name de grote lokettenzaal overspant, die via een grote glazen overkapping van bovenaf wordt verlicht.
De keuze voor de afwerkingen van De Coene, bestaande uit exotische houtsoorten en contrasterend marmer (zoals in veel van zijn villa’s), maakt het mogelijk om een uniek vakmanschap tot uiting te brengen. Dit vakmanschap heeft de tand des tijds goed doorstaan en heeft een enorme charme behouden die past bij de grootsheid van het Stoclet-paleis, waarvan het bezoek in september 1912 een diepe indruk op Dewin had gemaakt.
Deze aandacht voor detail kenmerkt het gehele oeuvre van Dewin. Zo komt het door hem zo geliefde motief van het onderverdeelde ovaal uit zijn art-nouveauperiode zowel terug in de hekwerken van de voortuintjes als in de friezen onder de trapleuningen, in de motieven van de gekleurde glas-in-loodramen of in sjablonen, en zelfs als motief op de sleutelkop van de brievenbussen binnen!
De bouw van het Sint-Pietersziekenhuis, dat ongeveer tegelijkertijd met het gemeentehuis van Vorst werd gerealiseerd, versterkte eveneens zijn reputatie en bekendheid. In 1929 legde hij de eerste steen in aanwezigheid van koningin Elisabeth. Het ziekenhuis, gefinancierd door de Stad Brussel, haar OCMW, de Vrije Universiteit Brussel en de Rockefeller-Stichting, is een heuse ziekenhuisstad bestaande uit grote, vijf verdiepingen tellende verticale paviljoens, die in een verspringend patroon langs een centrale, 150 meter lange verkeersader zijn opgesteld. Vandaag de dag zijn vooral de gebouwen aan de kant van de Hoogstraat nog over, waarvan hij in 1931 de plannen tekende (het grote administratieve gebouw, de voormalige verpleegstersschool en het toegangspaviljoen); deze hebben verschillende renovatiewerkzaamheden ondergaan die het werk van Dewin hebben aangetast, maar een zeer recent renovatieproject heeft tot doel hun oorspronkelijke ontwerp en hun art-decostijl zo goed mogelijk te herstellen. Een van de grote bijzonderheden van dit complex was dat het een echte ‘winkelpromenade’ bood langs de hele lengte van de gebouwen aan de Hoogstraat, met prachtige winkels versierd met een sokkel van Belgisch blauw marmer en met etalages met mooie gekleurde glas-in-loodramen, het geheel beschermd door een betonnen luifel met doorschijnende glazen panelen.
Dewin had voornamelijk industriëlen (de hotels Riez en Danckaert) en artsen van de Vrije Universiteit Brussel (klinieken voor de dokters Depage, Verhoogen, Coppez, Frère, Dutoit…) als klanten, maar hij kreeg ook opdrachten van de familie De Coene en van De Lakense Haard.
Dewin sluit zijn carrière af met appartementencomplexen in modernistische stijl die kort voor de Tweede Wereldoorlog in Brussel werden gebouwd.
Fragment uit het ongepubliceerde artikel van Benoît Schoonbroodt, Jean-Baptiste DEWIN (1873-1948), mei 2026.
Foto's