Ziekenhuisarchitectuur

De eerste jaren van de 20ste eeuw werden gekenmerkt door intense discussies over de leidende principes van een moderne ziekenhuisarchitectuur, waarbij rekening werd gehouden met de centralisatie van de zorg, de noodzaak van een hoge mate van hygiëne en goede ventilatie, en waarbij alles zoveel mogelijk van daglicht moest profiteren.

Tegen deze achtergrond moet de publicatie worden gezien van het boek dat Antoine Depage in 1906 samen met zijn collega-artsen Vandervelde en Cheval schreef, getiteld La Construction des hôpitaux. Étude critique, waarvan Jean-Baptiste Dewin de illustraties voor zijn rekening nam.

Daarin wordt een kritische benadering van de bouw van ziekenhuizen uiteengezet, waarbij de voor- en nadelen van elk gebruikt bouwmateriaal en elke bouwtechniek worden belicht. Zo worden scherpe hoeken in de gangen en te grove afwerkingen vermeden ten gunste van muren met afgeronde hoeken die allemaal zijn bekleed met faience-tegels, en krijgen de vloeren een granito-afwerking (in plaats van houten vloeren); dit zijn allemaal materialen die gemakkelijk te reinigen zijn en die een minimale bacteriegroei garanderen. De gangen moeten breed zijn, toegang bieden tot alle ruimtes tegelijk, en gemakkelijk te ventileren en te verlichten zijn. De toiletten moeten voorzien zijn van een doeltreffend ventilatiesysteem. De kozijnen van de ramen en binnendeuren zijn bij voorkeur afgerond en voorzien van leuningen; de deuren van de operatiekamers en de gangen zijn bij voorkeur dubbelvleugelig, enzovoort.

In het boek illustreert Dewin bijvoorbeeld operatiezalen met een gewelfd plafond en een brede, gebogen raamopening, die op het noorden zijn gericht en zo veel mogelijk licht binnenlaten voor de chirurgen; hij past dit principe met name toe voor het intituut Berkendael in 1905, voor de kliniek van dr. Jean Verhoogen in 1907 en voor het medisch-chirurgisch instituut Longchamp in 1913. Ook wordt in deze zalen een systeem voor directe afvoer van water aanbevolen, evenals wastafels voor het medisch personeel, zodat zij hun handen direct kunnen desinfecteren.

Het laatste hoofdstuk van het boek is zelfs gewijd aan de noodzaak om binnen het ziekenhuiscomplex ruimtes in te richten voor de uitvaartdienst (mortuarium, rouwkapel...). Zo vinden we een rouwkapel die is aangebouwd aan de kliniek van dr. Henri Coppez, evenals aan het Sint-Pietersziekenhuis.

Dewin, die vriendschap sluit met een hele reeks vooruitstrevende artsen en chirurgen, sluit zich daarmee aan bij een benadering die volledig gericht is op de dialoog met de medische wereld en het maximale comfort van de patiënten.

Voor Dewin is het ook van fundamenteel belang dat patiënten met vertrouwen de ziekenhuizen, klinieken en particuliere medische instellingen binnenstappen die hij ontwerpt. Daarom zorgt hij ervoor dat de gevels, gangen en ontvangstruimtes een gevoel van levensvreugde uitstralen door er kleur in te brengen via glas-in-loodramen of tegels met bloemen- of dierenmotieven.

Ook het praktische aspect wordt niet verwaarloosd en gaat hand in hand met de zorg om de patiënt te vermaken. Zo is de kliniek van dr. Henri Coppez (1912), waar oogziekten worden behandeld, voorzien van keramische tegels met reliëf die de patiënten helpen hun weg te vinden, evenals fonteinen die je kunt horen, brede gangen, verdiepingen met een eenvoudige indeling, enzovoort.

Voor de architect is het ook belangrijk dat de patiënten binnen de ziekenhuisinstelling ontspanning en rustplekken kunnen vinden, met name door middel van wintertuinen. Oude ansichtkaarten getuigen dan ook van de aanwezigheid van een grote wintertuin in de kliniek van dr. Jean Verhoogen in Sint-Joost-ten-Node, verfraaid met talrijke groene planten onder een glazen koepel, evenals in de kliniek van dr. Henri Coppez.

Fragment uit het ongepubliceerde artikel van Benoît Schoonbroodt, Jean-Baptiste DEWIN (1873-1948), mei 2026.

 

Foto's