Navolgers en faam

Dewin nam in zijn architectenbureau, dat eerst gevestigd was aan de Broekstraat 69 en later aan de Luchtvaartsquare 19, stagiaires in dienst die later een glansrijke carrière zouden opbouwen. Onder hen bevinden zich Louis Herman De Koninck, Jean-Jules Eggericx, Jacques Obozinski, Jean Van Doosselaere, Victor Van Nieuwenhuize, François Van Meulecom – die tussen 1909 en 1922 zijn directe medewerker werd – en ten slotte de van oorsprong Zwitserse architect Marius Eugène Engel, die in 1936 zijn kantoordirecteur werd en het bureau overnam na het overlijden van de meester in 1948.

Dewin is een van de grote namen uit de Belgische architectuur, zowel in de art-nouveau- als in de art-decoperiode, en neemt daarbij een fundamentele, onafhankelijke en vernieuwende plaats in. Zo was hij tijdens de tweede Internationale Biënnale, die in mei 1925 plaatsvond in de Villa Reale in Monza, niet ver van Milaan, aanwezig in de zogenaamde “zaal van de voorlopers“ met schetsen, tekeningen en plattegronden, naast werken van Horta, Hankar, Hobé, Pompe, Diongre en Sneyers.

Helaas ontstond er pas begin jaren 1990 echte belangstelling voor Jean-Baptiste Dewin bij de overheid en onder onderzoekers. Het was ongetwijfeld Jean Morjan die in 1996 als eerste de belangrijkste sporen die Dewin in de Belgische architectuur heeft achtergelaten het best samenvatte: “Dewin laat een immens oeuvre na, waarvan de inventarisatie nog lang niet voltooid is, maar dat zich gemakkelijk onderscheidt omdat hij huizen heeft ontworpen met een diepgaande originaliteit die aan niemand iets verschuldigd zijn, noch aan enige buitenlandse kunststroming. Zijn bouwwerken stralen moderniteit uit en brengen een onvergelijkbare levensvreugde over (…). Jean-Baptiste Dewin zal wellicht de meest originele architect van de Belgische art nouveau blijken te zijn na Horta en Hankar, omdat hij een nieuwe weg en een nieuwe stijl heeft ingeslagen die heel natuurlijk naar de Art Décoratif zullen leiden”.

In 2014 wijdde het tijdschrift Erfgoed Brussel een volledig nummer aan de architect, waarmee de aandacht werd gevestigd op zijn oeuvre. Sindsdien zijn er in dit door Urban uitgegeven tijdschrift verschillende artikelen verschenen over opmerkelijke restauraties van zijn bouwwerken.

Het architecturale oeuvre van Dewin is ongetwijfeld nog lang niet volledig in kaart gebracht, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de ontdekking in 2023 van een bescheiden appartementengebouw aan de Molièrelaan 12 in Vorst, gebouwd in 1933, of, meer recent, de ontdekking van drie gebouwen aan de Leopold II-laan 184 in Molenbeek (1924) en de Kanaalstraat 26-30 (1940) en 32 (1938).

Verschillende belangrijke villa’s van zijn hand zijn onder algemene onverschilligheid gesloopt. Dat geldt bijvoorbeeld voor het prachtige herenhuis dat hij in 1908 bouwde voor zijn vriend dokter Georges Marlow aan de Brugmannlaan 523 in Ukkel, afgebeeld in het tijdschrift L’Émulation (1914), waarvan de gevel en het ontwerp van de hekwerken in deze schaal met geen enkel ander werk te vergelijken zijn. Vermeldenswaardig is ook het pand aan de Molièrelaan 113-115 in Elsene (1925), typerend voor zijn art-decoperiode met zijn trapeziumvormige dakkapellen en zijn gebeeldhouwde portiek, kenmerken die we ook terugvinden in andere belangrijke gebouwen, zoals het hotel Riez in Molenbeek.

Fragment uit het ongepubliceerde artikel van Benoît Schoonbroodt, Jean-Baptiste DEWIN (1873-1948), mei 2026.

 

Foto's